vrijdag 17 april 2009

De gewone reuzenmier

De gewone reuzenmier (Camponotus ligniperda) is een mierensoort, en kan 6 tot 18 millimeter lang worden.

Kenmerken
Het is de grootste mierensoort in Midden- en Noordwestelijk Europa. Het lichaam is tamelijk glanzend, de kop en het grootste deel van het achterlijf (metasoma) is zwart; het borststuk (mesosoma), de poten, het schubje en het voorste deel van het metasoma is roodbruin. De grootte-verschillen tussen de werksters zijn aanzienlijk.

Voorkomen
Gewone reuzenmieren komen voor bij zonnige bosranden, vaak in bergachtige streken. Ze zijn zeer zeldzaam in Nederland; niet zeldzaam in het oosten van België.

Levenswijze
De individuenrijke nesten bevinden zich in dood hout of op de grond onder stenen. De naam ligniperda betekent houtaantaster, maar deze soort tast levend hout niet aan. Het voedsel bestaat uit zoete ontlasting (honingdauw) van bladluizen. De bruidsvluchten vinden plaats tussen mei en juli. Na de paring verliest de grote, jonge koningin haar vleugels en begint een nieuw nest op een verborgen plaats. Hierbij is ze volledig op zichzelf aangewezen. Pas nadat zich uit het eerste broed werksters hebben ontwikkeld, kan de koningin zich concentreren op het leggen van eieren.

Zwarte zaadmier (Grasmier)

De zwarte zaadmier (Tetramorium caespitum, voorheen grasmier) komt voor in gematigd klimaat en leeft vooral op de grond. Daar bezet hij een territorium met een middellijn van zo'n dertig meter. De werksters verwijderen zich eigenlijk niet verder dan dit territorium. Maar dit wordt dan ook "met hand en tand" verdedigd. De zwarte zaadmier is behoorlijk agressief voor andere mieren met name voor de eigen soort. Er worden gevechten beschreven van hele volken tegen elkaar waarbij duizenden mieren urenlang met elkaar in gevecht zijn, waarbij ze elkaar bijten, over elkaar heen buitelen, aan elkaar trekken en elkaar doden waarbij er steeds meer naar het oorlogsterrein worden gelokt door de geursporen. Met de grote kaken, nodig voor het fijnkauwen van de zaden kunnen ze tevens prima vechten.

Het is een soort die zich makkelijk aanpast aan veranderingen in de omgeving. Je ziet hem meestal op zonnige, droge plekken, soms in vochtige graslanden maar ook in bewoonde gebieden, met name tussen bestrating. De nesten bevinden zich meestal onder stenen. De volken zijn relatief groot tot zo'n 10.000 werksters. Zij bevatten in de regel meerdere koninginnen, die elk iedere dag zo'n 5 tot 40 eitjes produceren. Er worden uitgebreide gangenstelsels gegraven; dit is goed voor de omgeving vanwege de beluchting die hierdoor plaatsvindt. De koningin en de mannetjes zijn aanzienlijk groter dan de werksters, resp. 8 mm en 3,3 mm lengte. De kleur is donkerbruin met wat lichtere poten.

Uiterlijk
De antenne kent twaalf segmenten met een voelspriet van drie segmenten. De werksters hebben als karakteristiek element twee duidelijk zichtbare korte, tandvormige doorns achteraan het borststuk. Verder vertonen ze overlangse groeven van kop tot achterlijf en een krachtig uitgevoerde kop met kaken.

Koninginnen en mannetjes hebben vleugels en voeren in de vroege zomer een bruiloftsvlucht uit waarbij de koningin wordt bevrucht. De koningin doet haar verdere bestaan met het tijdens de bruiloftsvlucht ontvangen sperma en slaat dat daartoe op in het spermatheca. De mannetjes sterven na de bruiloftsvlucht, terwijl de koninginnen trachten een nieuw volk te stichten. Daarbij ontdoen zij zich van de vleugels. De werksters leven wel zo´n vijf jaar terwijl de koninginnen nog veel ouder kunnen worden.

Communicatie
Zoals de meeste mierensoorten worden chemische signalen gebruikt voor de communicatie. Dit gebeurt door de werksters waarbij zij een chemisch spoor achterlaten door het gaster over de grond te slepen wanneer ze lopen. Hierdoor worden sporen gelegd naar voedsel. De sporen worden door de werksters gevolgd en dienen tevens om het nest terug te vinden. De zwarte zaadmier verwijdert zich niet verder dan zo'n 30 meter van het nest. Naast chemische signalen wordt voor navigatie ook gebruik gemaakt van de polarisatie van licht.

Eetgewoonten
Alle voedsel dat voorhanden is in het territorium wordt verzameld en eventueel opgeslagen. Zwarte zaadmieren zijn omnivoren; alles wat eetbaar is binnen het territorium van een kolonie wordt verorberd: dode organismen, sap, nectar, pollen, bloemen, zaden of vruchten van planten. De zwarte zaadmier is een zaadverzamelaar en de soort kent voorraadvorming; zaden worden opgeslagen en bij gebruik fijngekauwd met de grote kaken die deze soort kenmerkt. Zij eten het liefst suikerhoudend voedsel. Zaden worden door langdurig kauwen omgezet in suikerhoudende vloeistof door de werking van het speeksel. Zoals andere mieren luizen gebruiken voor de suikervoorziening, zo heeft de zwarte zaadmier een symbiotische relatie met sommige soorten rupsen van de familie der lycaenidae, waaronder de blauwtjes. De rups produceert nectar, die door de mieren wordt gedronken terwijl de mieren zorgen voor bescherming van de rupsen tegen praedatoren.

Gele weidemier

De gele weidemier (Lasius flavus) is een insect uit de familie mieren (Formicidae). De soort komt verspreid over het Palearctisch en Nearctisch gebied voor.

Beschrijving
Deze typische mierensoort leeft ondergronds en is bruingeel van kleur, met 3 tot 5 millimeter vrij klein en de bewegingen zijn slomer dan die van andere soorten mieren. Dat is samen met de lichtere kleur het voornaamste onderscheid van de rode steekmier (Myrmica rubra). De bovenkaken van de gele weidemier zijn zeer breed en opmerkelijk is dat binnen een nest niet alle mieren even groot worden, wat polymorf wordt genoemd. Als men ze bij het graven per ongeluk tegenkomt, lijkt het op het eerste gezicht om 'net uitgekomen' mieren te gaan maar het is dus een aparte soort. Mannetjes, die maar een aantal weken per jaar voorkomen, zijn veel groter, gevleugeld en zwart van kleur.

Levenswijze
De ondergrondse levenswijze is geen toeval; al het voedsel wordt onder de grond gezocht. Op het menu staan deels kleine geleedpotigen maar voornamelijk zuigt deze soort honingdauw van bepaalde soorten wortelluizen, soms ook andere luizen. Deze leven ondergronds, en leven van grassen, en daarom is het deels bovengrondse nest meestal niet kaal zoals bij de rode bosmier (Formica rufa), maar begroeid. Vele soorten mieren kennen deze vorm van symbiose; bescherming in ruil voor voedsel, maar deze soort gaat nog wat verder. Er worden zelfs speciale ondergrondse kamers aangelegd zodat de luizen ongestoord kunnen zuigen - en uitscheiden. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden kan de gele weidemier ook vaak in graslanden en tuinen worden aangetroffen, drogere plaatsen worden vermeden.

Diefmier

De diefmier (Diplorhoptrum fugax) is een insect uit de familie mieren (Formicidae).

Kenmerken
Met een lengte van 1,5 tot 6,5 millimeter blijft de mier erg klein, en lijkt op de faraomier Monomorium pharaonis. Het is één van de soorten knoopmieren en tussen het achterlijf en borststuk zit een knoop-achtige verdikking waar de knoopmieren hun naam aan danken. Deze soort heeft geen doorns op de achterhoeken van het borststuk.

Voorkomen
Diefmieren leven vaak in de buurt van andere mieren, zoals rode bosmieren. De soort houdt van warme en droge omstandigheden zonder dichte begroeiing. De soort komt vooral voor in zuidelijk Europa maar waarnemingen van de soort in Nederland en België zijn er ook.

Levenswijze
De diefmier dankt de naam aan de stelende levenswijze, de mieren bouwen het nest in de buurt van een nest van een andere mierensoort, waarna zeer nauwe gangen worden gegraven naar deze nesten. Vervolgens gaan de werksters op pad om het nest van de andere soort te beroven van voedsel. Nu komt de geringe lengte van de werksters van pas; de diefmieren kunnen wel door de enge tunneltjes naar het nest van de andere soort, maar de beroofde mieren zijn te groot om de diefmier te achtervolgen in de tunneltjes.

De behaarde rode bosmier

De behaarde rode bosmier (Formica rufa) is een insect uit de familie mieren (Formicidae).

Beschrijving
Er is ook een mierensoort met de naam kale rode bosmier (Formica polyctena), die sterk op de behaarde rode bosmier lijkt. Beide soorten worden vaak met gewoon rode bosmier aangeduid. Deze twee soorten kunnen zich ook met elkaar voortplanten. Het lichaam is vrij groot; ongeveer 6-9 millimeter en bij vrouwtjes roodbruin van kleur, vaak zijn kaken en borststuk roodbruin en de rest van het lichaam donkerbruin tot zwart. Ook de poten en tasters zijn zwart en de tasters zijn afgeplat, en mannetjes zijn geheel zwart. Deze komen echter alleen in de paartijd ter wereld, en sterven al korte tijd later.

Levenswijze
De behaarde rode bosmier graaft typische, deels bovengrondse nesten en staat bekend als een agressieve soort; bij verstoring kruipen duizenden woedende mieren op de verstoorder af die het vrijwel altijd aflegt en wegvlucht, al is hij nog zo groot. Dat komt door de stevige kaken waarmee gemeen gebeten kan worden en ook kan de mier mierenzuur afscheiden met het achterlijf, dat echter geen angel bevat. Een enkel nest kan honderdduizenden mieren en meerdere koninginnen bevatten en ook scheuringen vinden plaats waardoor er meerdere nesten in de buurt ontstaan, dit wordt een kolonie genoemd. Een van de weinige diersoorten die ze toch trotseert, en zelfs graag lust, is de groene specht (Picus viridis).

Voedsel

Het voedsel bestaat uit alles wat ze te pakken kunnen krijgen en eetbaar is; er worden voor een deel (schadelijke) insecten gegeten en daardoor is de rode bosmier populair in de bosbouw.


Een belangrijk deel van het voedsel wordt verkregen middels symbiose met bepaalde soorten bladluizen. De mieren beschermen de luizen tegen vijanden zoals lieveheersbeestjes, en eten de 'kleine boodschap' van de luis; honingdauw of luizenmelk. Dit zijn de plantensappen vermengd met veel suikers, want luizen gebruiken de suikers niet voor de stofwisseling.

Status en bedreigingen

Deze soort is zelfs wettelijk beschermd vanwege de achteruitgang, die veroorzaakt is door ontbossing, verzuring en bebouwing. De nesten worden op deels beschutte plaatsen gebouwd, maar de zonnestralen kunnen er wel bij om het op te warmen. De poppen van de deze mierensoort zijn vanwege de grootte populair bij vogelhouders die ze aan de jongen voeren.

Amazonemier

De Amazonemier (Polyergus rufescens) is een mierensoort, en kan 5 tot 10 mm lang worden.


Kenmerken
De kaken zijn smal en sabelvormig, zonder duidelijke tandjes. De werksters zijn gelijkmatig roodbruin, de koningin is donkerbruin en de mannetjes zijn vrijwel zwart.

Voorkomen
Amazonemieren komen voor op zonnige, droge locaties: kalkgraslanden en oude wijngaarden. Ze zijn vrijwel overal verdwenen uit België. In Nederland is deze soort zeer zeldzaam.

Levenswijze
Amazonemieren zijn tijdens hun leven geheel op slaven aangewezen. Zij kunnen zichzelf niet van voedsel voorzien en laten zich voeden door slaven. De werksters verzamelen zich op warme zomeravonden voor hun spectaculaire rooftochten. Ze marcheren in een breed front zo lang in één richting tot ze een geschikt Formica-nest tegenkomen. Dan doden ze de aanwezige mieren met de krachtige kaken en roven de poppen die ze naar hun eigen nest brengen. Op deze wijze zorgen de amazonemieren steeds voor een toereikend aantal slaven.

Mieren in België en Nederland

In België en Nederland zijn er meer dan 50 soorten mieren beschreven. De meest voorkomende miersoorten zijn onder andere de Amazonemier, Behaarde rode bosmier, Diefmier, Draaigatje, Gele weidemier, Glanzende houtmier, Grasmier, Oermier, Gewone reuzenmier, Zwarte reuzenmier, Ruwknoopmier, Stengelmier en de Zwartbruine wegmier.

Indeling

De familie mieren wordt onderverdeeld in onderfamilies;

Formicomorfe onderfamilies
Aneuretinae
Dolichoderinae
Formicinae

Myrmeciomorfe onderfamilies
Myrmeciinae
Pseudomyrmecinae

Dorylomorfe onderfamilies
Cerapachyinae
Ecitoninae
Leptanilloidinae
Aenictinae
Dorylinae
Aenictogitoninae

Leptanillomorfe onderfamilies
Apomyrminae
Leptanillinae

Poneromorfe onderfamilies
Amblyoponinae
Ponerinae
Ectatomminae
Heteroponerinae
Paraponerinae
Proceratiinae

Myrmicomorfe onderfamilies
Agroecomyrmecinae
Myrmicinae

Uitgestorven onderfamilies
Armaniinae
Sphecomyrminae
Brownimeciinae
Formiciinae

Onderfamilie incertae sedis
Paleosminthurinae

Biologie

Biologie

De mierwespen of fluweelmieren (hier Ronisia barbara) lijken op mieren, maar zijn vleugelloze wespen.Mieren behoren tot de wespachtigen, ze stammen af van gravende wespensoorten waarvan de werksters de vleugels hebben verloren. De nauwe verwantschap aan wespen is ook af te leiden uit de bouw van een mier, die sterke overeenkomsten vertoont met een wesp. Er zijn twee groepen mieren, de 'echte mieren', (familie Formicidae), die het bekendst zijn. De tweede groep bestaat uit de mierwespen, die ook wel fluweelmieren worden genoemd (familie Mutillidae). Soorten uit deze laatste groep zijn ook vleugelloos en lijken op mieren, maar worden beschouwd als wespen-zonder-vleugels. Mierwespen zijn over het algemeen veel behaarder dan mieren.

Variatie

Er zijn ongeveer 12.000 soorten beschreven. Bij mieren bestaat een grote variatie waar het gaat om de volgende eigenschappen:

De grootte van de kolonie. Deze kan soms uit enkele, soms uit miljoenen mieren bestaan.
Het aantal koninginnen aan het hoofd van de kolonie. Dit kan variëren van één tot enkele honderden.
De complexiteit van de mierenmaatschappij. Bij sommige mierensoorten bestaat er een heel specifieke verdeling van taken, en bijbehorende lichaamskenmerken.
De woonomgeving van de kolonie. Sommige soorten leven ondergronds, terwijl andere alleen in de toppen van bomen voorkomen.

Kenmerken

De meeste soorten mieren zijn zwart of bruin, maar ook gele, rode, groene, zilvergrijze en goudkleurige soorten komen voor. Een mier heeft, net als de meeste andere insecten, voelsprieten op haar kop, wat haar voornaamste zintuig is en waarmee ze kan ruiken en voelen. De meeste mierensoorten hebben ogen, maar in het donkere nest zijn deze niet erg nuttig.

Zoals alle insecten hebben mieren een in drieën verdeeld lichaam en drie paar poten. Qua lichaamsbouw lijken mieren erg op wespen, alleen zijn ze vaak kleiner, hebben geen vleugels en hebben een klein vierde lichaamsdeel tussen borststuk en achterlijf (de schub bij schubmieren of knoop bij knoopmieren). De koningin en mannetjes zijn de enige die vleugels hebben, die ze gebruiken om de zogenoemde bruidsvlucht uit te voeren. In Nederland en België gebeurt dit meestal rond de maand augustus; dan zien we de vliegende mieren.

Sommige rovende geleedpotigen, zoals sommige wantsen maar ook spinnen, lijken sprekend op mieren om zo ongestoord op mieren te jagen zonder dat de andere mieren dat merken.


De mierenmaatschappij

In een mierenmaatschappij worden de volgende groepen onderscheiden:

de koningin (bij een aantal soorten komen er meerdere voor per kolonie.)
de werksters (die ook weer onderverdeeld zijn in verschillende typen, zoals soldaten, larvenverzorgers, etc.)
de mannetjes (die enkel en alleen dienen voor de voortplanting en daarna spoedig sterven.)
In principe zijn alle werksters steriele dochters van de koningin, en de instandhouding van haar genen is voor het overleven van de kolonie in evolutionair opzicht het enige wat telt. De aanvankelijk gevleugelde koningin verliest na de bruidsvlucht haar vleugels en begint een nieuwe kolonie met vleugelloze werksters.


ParasolmierenWerksters hebben daarnaast vaak nog verschillende functies in de mierenmaatschappij:

soldaten: Dit zijn de gravers van de kolonie. Er wordt vaak gedacht dat deze groep het nest verdedigt of aanvallen pleegt, maar dit is een misverstand. Het misverstand komt waarschijnlijk door de grotere kaken, maar die zijn er om goed mee te kunnen graven. Ze zijn voor de kolonie veel te kostbaar om als "soldaat" gebruikt te worden, de larven van deze groep hebben namelijk extra veel voedsel nodig. Niet alle soorten hebben soldaten, Lasius soorten bijvoorbeeld niet.
verkenners die foerageren om voedsel te vinden: dit zijn meestal de al wat oudere werksters die spoedig van ouderdom zullen sterven en het dus een kleiner verlies voor de kolonie is als ze tijdens haar werk wordt opgegeten/aangevallen.
verzorgers van de larven (dit zijn bijna altijd de jongste mieren, waarom is niet bekend)
luizenkwekers die luizen als een soort 'koeien' houden (bijvoorbeeld bij de gele weidemier)
opslagvaten (honingpotmieren)
slavenhalers en -houders
voedselmakers.
Sommige werksters leggen eieren die door anderen worden opgegeten. Als deze eieren wel uitkomen (gebeurt maar af en toe, bij enkele soorten) komen er mannetjes uit.

Hun lichaamsbouw is vaak aangepast aan de speciale functies die ze uitvoeren. Daar ligt geen genetische variatie aan ten grondslag, deze wordt meestal bepaald door het soort voedsel dat ze als larve krijgen. Dit komt bij de meeste soorten die in Nederland en België leven echter bijna niet voor.

Een kolonie mieren kan behalve als een verzameling individuen ook worden beschouwd als een 'superorganisme' dat een aantal gedragingen vertoont die niet kunnen worden voorspeld door naar de gedragingen van de individuele mieren te kijken, wat naar analogie met bijen (ook vertegenwoordigers van de vliesvleugeligen) wel 'bijenkorfintelligentie' (hive intelligence) wordt genoemd. Het lijkt dan haast alsof ze op een intelligente manier worden aangestuurd.


Communicatie en gedrag

Mierencommunicatie verloopt hoofdzakelijk door middel van geurstoffen, ook wel feromonen genoemd. Geurcommunicatie is bij mieren mogelijk nog meer ontwikkeld dan bij andere sociale Hymenoptera, zoals bijen of wespen. Zoals andere insecten, kunnen mieren met hun voelsprieten 'ruiken'. Deze zijn erg beweeglijk, met een duidelijk ellebooggewricht na het eerste segment (de scapus). Doordat een mier twee voelsprieten heeft, voorzien ze de mier van informatie over zowel intensiteit als richting.

Mieren gebruiken bijvoorbeeld het bouquet van koolwaterstoffen, die als een soort waslaag op hun huid zit, om te kunnen herkennen tot welke kolonie ze behoren. Als een individu het nest binnenkomt met de verkeerde samenstelling van deze koolwaterstoffen, zal deze (hardhandig) verwijderd worden. Om alle nestgenoten hetzelfde te laten ruiken, worden de geurstoffen vermengd met voedsel uitgewisseld tussen mieren. Dit heet ook wel trophallaxis. Mieren vallen aan en verdedigen zichzelf en hun nest door te steken met een gifangel, of te bijten en vervolgens mierenzuur in het bijtwondje te spuiten. In Maleisië komen mieren voor die als ze worden aangevallen exploderen door hun maagmembraan te laten springen, waarbij de aanvaller soms ook ten gronde gaat.[1]

Veel mieren gebruiken feromonensporen om de weg terug naar huis te vinden. Zo kan een voedselverzamelaar die voedsel vindt, een spoor op de grond achterlaten en op die manier aan andere voedselverzamelaars kenbaar maken waar dit voedsel gevonden kan worden en welke het spoor zullen gaan volgen. Deze versterken op hun beurt het feromonenspoor verder, zodat nog meer mieren het zullen volgen, totdat het voedsel is uitgeput. Het feromonenspoor wordt dan niet verder versterkt en vervaagt langzaam. Behalve dit spoor, gebruiken mieren verschillende soorten informatie om hun weg terug naar het nest te vinden. Zo tellen ze bijvoorbeeld het aantal stappen dat ze hebben genomen sinds hun vertrek, hebben ze een ingebouwd kompas en slaan ze herkenningspunten op in hun geheugen. Indien een mier door een mens op een andere plaats wordt neergezet is het moeilijker om het nest weer terug te vinden.

Andere feromonen zijn bijvoorbeeld het alarmferomoon, dat een mier kan afgeven en nabije nestgenoten tot een furieuze aanval aanzet. Sommige parasitaire mieren gebruiken zogenaamde propagandaferomonen om hun gastheren in verwarring te brengen terwijl ze binnendringen. Mieren kunnen ook detecteren tot welke takengroep een andere mier behoort (bijvoorbeeld verkenner of kinderverzorgster), aan de hand van de laag van koolwaterstoffen op hun huid. De koningin heeft vaak een specifiek bouquet van geurstoffen, waarvan wordt uitgegaan dat de werksters haar hieraan herkennen als de koningin. Bij gebrek aan een koningin, worden de resterende eieren opgekweekt tot nieuwe koninginnen, en de werksters gaan zelf eieren leggen waar mannetjes uitkomen.


Levenswijze

Een mier 'melkt' een bladluis.Veel soorten mieren verzamelen niet alleen voedsel, maar kweken het zelf. Men zou zelfs kunnen zeggen dat een aantal soorten aan een soort landbouw en zelfs veeteelt doet. De zwarte wegmier (Lasius niger) bijvoorbeeld zuigt graag de zoete afscheiding van bladluizen op (honingdauw), en beschermt de luizen tegen vijanden als lieveheersbeestjes met het mierenzuur. Andere soorten gaan nog verder en brengen de luizen naar ondergrondse kamers met plantenwortels. Hier kunnen de luizen ongestoord sappen zuigen en de mieren het honingdauw aftappen. Parasolmieren, vooral bekend uit het geslacht Atta, knippen delen van bladeren af en transporteren de bladeren naar het nest. Hier wordt in speciale groeikamers een bepaalde schimmel gekweekt waar de mieren van leven. Een kolonie telt al gauw 2 miljoen mieren die binnen 24 uur een boom volledig kunnen ontbladeren.

Ook sommige planten werken samen met mieren door een zoete afscheiding te produceren, zie ook mierenbroodje. Het voordeel voor de plant is dat een grotere planteneter in de bek of tong wordt gebeten door de mieren en het wel uit zijn hoofd laat


[bewerken] Evolutie en ontwikkeling
Recent fossiele vondsten en onderzoek op het gebied van DNA hebben meer duidelijkheid verschaft over de evolutie van de mieren en de relaties tussen de verschillende families.

Rond het midden-Krijt (ca. 100 miljoen jaar geleden) vond er een sterke uitbreiding plaats in bos-achtige omgevingen, samenvallend met de opkomst van bloeiende planten (angiospermen). In het Paleoceen (65 tot 23 miljoen jaar geleden) bereikte de diergroep dominantie in deze ecologische niche in samenhang met de bloeiende planten. Hierna vonden afsplitsingen plaats naar andere gebieden door veranderingen in leefgewoonten.

Mieren

Mieren zijn een groep van kolonie-vormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Geschat wordt dat de totale biomassa van mieren groter is dan die van alle andere dierensoorten op aarde. Omdat mieren overal ter wereld voorkomen (behalve Antarctica), zijn ze één van de succesvolste diergroepen. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, weer andere leven in spleten tussen rotsen. De zilvermier woont bijvoorbeeld in de woestijn. De vampiermier is een agressieve soort die in het gebied rond de Amazone voorkomt. In Zuid-Europa woont de kolfkopmier in galappels.

De kolonie bestaat uit één (of enkele) koningin(nen), werksters (ook allemaal vrouwtjes) en soms jonge mannetjes en maagdelijke koninginnen. De grootste groep zijn de werksters, die samen de werktaken verdelen. Er zijn o.a. verkenners, voedselverzamelaars, nest-onderhouders, kinderverzorgsters, soldaten, etc. Wanneer het nest groot genoeg is, wordt een lichting van de opgroeiende larven opgekweekt tot mannetjes en koninginnetjes. Samen verlaten die het nest vliegend wanneer de tijd daarvoor rijp is. Dit gebeurt in Nederland vaak op warme dagen na een regenbui. In de lucht paren de mannetjes met de koninginnetjes, waarna de mannetjes kort daarna sterven en de koninginnen een nieuwe nestplaats zoekt. Dit kan al vliegend gedaan worden, zodat zelfs in bloembakken 10 meter boven de grond nesten kunnen ontstaan.

Mieren worden soms ook als huisdieren gehouden, in een zogenaamd formicarium.