vrijdag 17 april 2009

De gewone reuzenmier

De gewone reuzenmier (Camponotus ligniperda) is een mierensoort, en kan 6 tot 18 millimeter lang worden.

Kenmerken
Het is de grootste mierensoort in Midden- en Noordwestelijk Europa. Het lichaam is tamelijk glanzend, de kop en het grootste deel van het achterlijf (metasoma) is zwart; het borststuk (mesosoma), de poten, het schubje en het voorste deel van het metasoma is roodbruin. De grootte-verschillen tussen de werksters zijn aanzienlijk.

Voorkomen
Gewone reuzenmieren komen voor bij zonnige bosranden, vaak in bergachtige streken. Ze zijn zeer zeldzaam in Nederland; niet zeldzaam in het oosten van België.

Levenswijze
De individuenrijke nesten bevinden zich in dood hout of op de grond onder stenen. De naam ligniperda betekent houtaantaster, maar deze soort tast levend hout niet aan. Het voedsel bestaat uit zoete ontlasting (honingdauw) van bladluizen. De bruidsvluchten vinden plaats tussen mei en juli. Na de paring verliest de grote, jonge koningin haar vleugels en begint een nieuw nest op een verborgen plaats. Hierbij is ze volledig op zichzelf aangewezen. Pas nadat zich uit het eerste broed werksters hebben ontwikkeld, kan de koningin zich concentreren op het leggen van eieren.

Zwarte zaadmier (Grasmier)

De zwarte zaadmier (Tetramorium caespitum, voorheen grasmier) komt voor in gematigd klimaat en leeft vooral op de grond. Daar bezet hij een territorium met een middellijn van zo'n dertig meter. De werksters verwijderen zich eigenlijk niet verder dan dit territorium. Maar dit wordt dan ook "met hand en tand" verdedigd. De zwarte zaadmier is behoorlijk agressief voor andere mieren met name voor de eigen soort. Er worden gevechten beschreven van hele volken tegen elkaar waarbij duizenden mieren urenlang met elkaar in gevecht zijn, waarbij ze elkaar bijten, over elkaar heen buitelen, aan elkaar trekken en elkaar doden waarbij er steeds meer naar het oorlogsterrein worden gelokt door de geursporen. Met de grote kaken, nodig voor het fijnkauwen van de zaden kunnen ze tevens prima vechten.

Het is een soort die zich makkelijk aanpast aan veranderingen in de omgeving. Je ziet hem meestal op zonnige, droge plekken, soms in vochtige graslanden maar ook in bewoonde gebieden, met name tussen bestrating. De nesten bevinden zich meestal onder stenen. De volken zijn relatief groot tot zo'n 10.000 werksters. Zij bevatten in de regel meerdere koninginnen, die elk iedere dag zo'n 5 tot 40 eitjes produceren. Er worden uitgebreide gangenstelsels gegraven; dit is goed voor de omgeving vanwege de beluchting die hierdoor plaatsvindt. De koningin en de mannetjes zijn aanzienlijk groter dan de werksters, resp. 8 mm en 3,3 mm lengte. De kleur is donkerbruin met wat lichtere poten.

Uiterlijk
De antenne kent twaalf segmenten met een voelspriet van drie segmenten. De werksters hebben als karakteristiek element twee duidelijk zichtbare korte, tandvormige doorns achteraan het borststuk. Verder vertonen ze overlangse groeven van kop tot achterlijf en een krachtig uitgevoerde kop met kaken.

Koninginnen en mannetjes hebben vleugels en voeren in de vroege zomer een bruiloftsvlucht uit waarbij de koningin wordt bevrucht. De koningin doet haar verdere bestaan met het tijdens de bruiloftsvlucht ontvangen sperma en slaat dat daartoe op in het spermatheca. De mannetjes sterven na de bruiloftsvlucht, terwijl de koninginnen trachten een nieuw volk te stichten. Daarbij ontdoen zij zich van de vleugels. De werksters leven wel zo´n vijf jaar terwijl de koninginnen nog veel ouder kunnen worden.

Communicatie
Zoals de meeste mierensoorten worden chemische signalen gebruikt voor de communicatie. Dit gebeurt door de werksters waarbij zij een chemisch spoor achterlaten door het gaster over de grond te slepen wanneer ze lopen. Hierdoor worden sporen gelegd naar voedsel. De sporen worden door de werksters gevolgd en dienen tevens om het nest terug te vinden. De zwarte zaadmier verwijdert zich niet verder dan zo'n 30 meter van het nest. Naast chemische signalen wordt voor navigatie ook gebruik gemaakt van de polarisatie van licht.

Eetgewoonten
Alle voedsel dat voorhanden is in het territorium wordt verzameld en eventueel opgeslagen. Zwarte zaadmieren zijn omnivoren; alles wat eetbaar is binnen het territorium van een kolonie wordt verorberd: dode organismen, sap, nectar, pollen, bloemen, zaden of vruchten van planten. De zwarte zaadmier is een zaadverzamelaar en de soort kent voorraadvorming; zaden worden opgeslagen en bij gebruik fijngekauwd met de grote kaken die deze soort kenmerkt. Zij eten het liefst suikerhoudend voedsel. Zaden worden door langdurig kauwen omgezet in suikerhoudende vloeistof door de werking van het speeksel. Zoals andere mieren luizen gebruiken voor de suikervoorziening, zo heeft de zwarte zaadmier een symbiotische relatie met sommige soorten rupsen van de familie der lycaenidae, waaronder de blauwtjes. De rups produceert nectar, die door de mieren wordt gedronken terwijl de mieren zorgen voor bescherming van de rupsen tegen praedatoren.

Gele weidemier

De gele weidemier (Lasius flavus) is een insect uit de familie mieren (Formicidae). De soort komt verspreid over het Palearctisch en Nearctisch gebied voor.

Beschrijving
Deze typische mierensoort leeft ondergronds en is bruingeel van kleur, met 3 tot 5 millimeter vrij klein en de bewegingen zijn slomer dan die van andere soorten mieren. Dat is samen met de lichtere kleur het voornaamste onderscheid van de rode steekmier (Myrmica rubra). De bovenkaken van de gele weidemier zijn zeer breed en opmerkelijk is dat binnen een nest niet alle mieren even groot worden, wat polymorf wordt genoemd. Als men ze bij het graven per ongeluk tegenkomt, lijkt het op het eerste gezicht om 'net uitgekomen' mieren te gaan maar het is dus een aparte soort. Mannetjes, die maar een aantal weken per jaar voorkomen, zijn veel groter, gevleugeld en zwart van kleur.

Levenswijze
De ondergrondse levenswijze is geen toeval; al het voedsel wordt onder de grond gezocht. Op het menu staan deels kleine geleedpotigen maar voornamelijk zuigt deze soort honingdauw van bepaalde soorten wortelluizen, soms ook andere luizen. Deze leven ondergronds, en leven van grassen, en daarom is het deels bovengrondse nest meestal niet kaal zoals bij de rode bosmier (Formica rufa), maar begroeid. Vele soorten mieren kennen deze vorm van symbiose; bescherming in ruil voor voedsel, maar deze soort gaat nog wat verder. Er worden zelfs speciale ondergrondse kamers aangelegd zodat de luizen ongestoord kunnen zuigen - en uitscheiden. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden kan de gele weidemier ook vaak in graslanden en tuinen worden aangetroffen, drogere plaatsen worden vermeden.

Diefmier

De diefmier (Diplorhoptrum fugax) is een insect uit de familie mieren (Formicidae).

Kenmerken
Met een lengte van 1,5 tot 6,5 millimeter blijft de mier erg klein, en lijkt op de faraomier Monomorium pharaonis. Het is één van de soorten knoopmieren en tussen het achterlijf en borststuk zit een knoop-achtige verdikking waar de knoopmieren hun naam aan danken. Deze soort heeft geen doorns op de achterhoeken van het borststuk.

Voorkomen
Diefmieren leven vaak in de buurt van andere mieren, zoals rode bosmieren. De soort houdt van warme en droge omstandigheden zonder dichte begroeiing. De soort komt vooral voor in zuidelijk Europa maar waarnemingen van de soort in Nederland en België zijn er ook.

Levenswijze
De diefmier dankt de naam aan de stelende levenswijze, de mieren bouwen het nest in de buurt van een nest van een andere mierensoort, waarna zeer nauwe gangen worden gegraven naar deze nesten. Vervolgens gaan de werksters op pad om het nest van de andere soort te beroven van voedsel. Nu komt de geringe lengte van de werksters van pas; de diefmieren kunnen wel door de enge tunneltjes naar het nest van de andere soort, maar de beroofde mieren zijn te groot om de diefmier te achtervolgen in de tunneltjes.

De behaarde rode bosmier

De behaarde rode bosmier (Formica rufa) is een insect uit de familie mieren (Formicidae).

Beschrijving
Er is ook een mierensoort met de naam kale rode bosmier (Formica polyctena), die sterk op de behaarde rode bosmier lijkt. Beide soorten worden vaak met gewoon rode bosmier aangeduid. Deze twee soorten kunnen zich ook met elkaar voortplanten. Het lichaam is vrij groot; ongeveer 6-9 millimeter en bij vrouwtjes roodbruin van kleur, vaak zijn kaken en borststuk roodbruin en de rest van het lichaam donkerbruin tot zwart. Ook de poten en tasters zijn zwart en de tasters zijn afgeplat, en mannetjes zijn geheel zwart. Deze komen echter alleen in de paartijd ter wereld, en sterven al korte tijd later.

Levenswijze
De behaarde rode bosmier graaft typische, deels bovengrondse nesten en staat bekend als een agressieve soort; bij verstoring kruipen duizenden woedende mieren op de verstoorder af die het vrijwel altijd aflegt en wegvlucht, al is hij nog zo groot. Dat komt door de stevige kaken waarmee gemeen gebeten kan worden en ook kan de mier mierenzuur afscheiden met het achterlijf, dat echter geen angel bevat. Een enkel nest kan honderdduizenden mieren en meerdere koninginnen bevatten en ook scheuringen vinden plaats waardoor er meerdere nesten in de buurt ontstaan, dit wordt een kolonie genoemd. Een van de weinige diersoorten die ze toch trotseert, en zelfs graag lust, is de groene specht (Picus viridis).

Voedsel

Het voedsel bestaat uit alles wat ze te pakken kunnen krijgen en eetbaar is; er worden voor een deel (schadelijke) insecten gegeten en daardoor is de rode bosmier populair in de bosbouw.


Een belangrijk deel van het voedsel wordt verkregen middels symbiose met bepaalde soorten bladluizen. De mieren beschermen de luizen tegen vijanden zoals lieveheersbeestjes, en eten de 'kleine boodschap' van de luis; honingdauw of luizenmelk. Dit zijn de plantensappen vermengd met veel suikers, want luizen gebruiken de suikers niet voor de stofwisseling.

Status en bedreigingen

Deze soort is zelfs wettelijk beschermd vanwege de achteruitgang, die veroorzaakt is door ontbossing, verzuring en bebouwing. De nesten worden op deels beschutte plaatsen gebouwd, maar de zonnestralen kunnen er wel bij om het op te warmen. De poppen van de deze mierensoort zijn vanwege de grootte populair bij vogelhouders die ze aan de jongen voeren.

Amazonemier

De Amazonemier (Polyergus rufescens) is een mierensoort, en kan 5 tot 10 mm lang worden.


Kenmerken
De kaken zijn smal en sabelvormig, zonder duidelijke tandjes. De werksters zijn gelijkmatig roodbruin, de koningin is donkerbruin en de mannetjes zijn vrijwel zwart.

Voorkomen
Amazonemieren komen voor op zonnige, droge locaties: kalkgraslanden en oude wijngaarden. Ze zijn vrijwel overal verdwenen uit België. In Nederland is deze soort zeer zeldzaam.

Levenswijze
Amazonemieren zijn tijdens hun leven geheel op slaven aangewezen. Zij kunnen zichzelf niet van voedsel voorzien en laten zich voeden door slaven. De werksters verzamelen zich op warme zomeravonden voor hun spectaculaire rooftochten. Ze marcheren in een breed front zo lang in één richting tot ze een geschikt Formica-nest tegenkomen. Dan doden ze de aanwezige mieren met de krachtige kaken en roven de poppen die ze naar hun eigen nest brengen. Op deze wijze zorgen de amazonemieren steeds voor een toereikend aantal slaven.

Mieren in België en Nederland

In België en Nederland zijn er meer dan 50 soorten mieren beschreven. De meest voorkomende miersoorten zijn onder andere de Amazonemier, Behaarde rode bosmier, Diefmier, Draaigatje, Gele weidemier, Glanzende houtmier, Grasmier, Oermier, Gewone reuzenmier, Zwarte reuzenmier, Ruwknoopmier, Stengelmier en de Zwartbruine wegmier.